×
footer logo
© 2017 VICE Media LLC
×
 

Een grijze Mateja Kezman vertelt over zijn carrière van PSV en Chelsea tot Hongkong

MJ
Milos Jovanovic, Foto's door: Vladimir Živojinović / Vice Servië

April 15, 2018, 12:15

“Je moet bij PSV voor jezelf opkomen, anders eten ze je levend op.”

Dit artikel verscheen oorspronkelijk bij VICE Servië.

Mateja Kezman heeft een flanellen overhemd aan en zijn baard is grotendeels grijs als we hem ontmoeten. Het is alweer een jaar of zes geleden dat hij stopte met voetballen na een laatste stuntje met BATE Borisov in de Champions League. Hij is teruggekeerd naar Belgrado, waar hij net als zijn generatiegenoot Marko Pantelic spelersbegeleider is geworden.

Kezman was als voetballer een opgewonden standje in het veld. Daarmee werd hij bij Partizan Belgrado en PSV gelanceerd in Europa. Beter dan die jaren bij PSV werd het daarna nooit meer voor de spits, maar hij deed nog een hoop interessante ervaringen op bij clubs als Chelsea, Atletico Madrid, Fenerbahçe en Paris Saint-Germain. Van die opgewonden houding is niet veel meer over als VICE hem spreekt in Servië. Hier zit een rustige, beheerste Kezman.

VICE: Mateja, in Servië is Partizan Belgrado jouw club, maar dat is niet jouw eerste club. Kan je vertellen wat je daarvoor deed?
Mateja Kezman: Mijn vader komt uit Zemun, een buitenwijk van Belgrado. Daar ben ik geboren en getogen. Mijn vader was meer dan twintig jaar keeper van FK Zemun. Op een dag, toen ik tien was, nam hij me mee naar het trainingscomplex. “Kijk, dit is jouw trainer, dit is jouw veld,” zei hij tegen me. Hij liet me aan mijn lot over. Ik moest het zelf uitzoeken, mijn eigen strijd vechten. Dat maakte me sterk. Partizan was toen al wel mijn grote passie. We gingen vaak met een groepje kinderen naar het stadion van Partizan om wedstrijden te kijken.

Op je zeventiende verhuisde je van Belgrado naar het platteland, om op een lager niveau te voetballen voor Pirot. Hoe was dat voor jou?
Dat was hard in het begin. Ik ging uit huis en liet alles achter om mijn droom na te jagen. Het hielp wel dat mijn coach bij Pirot, Mile Tomic, ook uit Zemun kwam. Hij had daar een goed team, met een paar andere goede jonge spelers. Ik werd door de club met drie andere jonge spelers in een appartement gestopt. Omdat Pirot een klein stadje is, word je er als voetballer van de club snel herkend. Daar werd ik voor het eerst als een soort “bekendheid” gezien. We hadden best een goed seizoen in de tweede divisie en gingen nek-aan-nek met Pristina in de strijd om promotie. Het stadion zat altijd vol en mensen herkenden me op straat. Het was uiteindelijk een goede ervaring om op te doen als kind.

Na jaren bij de relatief kleine clubs Pirot, Loznica en Smederevo zaten de grote clubs achter je aan. Niet Partizan, maar aartsrivaal Rode Ster meldde zich als eerste.
Dat klopt, de hoofdtrainer van Smederevo was goed bevriend met Dragan Dzajic, de clublegende van Rode Ster. Hij was er toen voorzitter en wilde me tekenen. Hij belde mijn vader op en wilde onderhandelen, maar daarna belde Partizan ook. Toen zei ik tegen mijn vader: “Doe wat je moet doen, maar ik wil hoe dan ook voor Partizan spelen.” Binnen drie minuten was alles geregeld. Ik denk dat ik door die omweg sterker binnenkwam bij Partizan. Ik heb als jeugdspeler mijn tanden stukgebeten in de lagere divisies.

Je tekende in 1998 bij Partizan Belgrado, dat was een gekke tijd. Partizan had net een van de slechtste jaren in de clubgeschiedenis achter de rug, verloor dik in de Champions League-kwalificaties en verkocht alle oudere spelers. Met Sasa Ilic, Djordje Tomic en jou had Partizan ook een mooie nieuwe lichting. Hoe kijk je terug op die tijd?
We hadden geen verwachtingen toen we aan het seizoen begonnen. De trainer, Ljubisa Tumbakovic, besloot de meeste veteranen in het team te lozen en de kids de kans te geven. Er bleven maar een paar ervaren spelers over, maar mijn generatie ging goed met hen om. Wij hadden talent, maar konden een hoop leren van de oudere gasten die bleven. Zij leerden ons over voetbal, maar ook over het leven in het algemeen. We hadden onderlinge chemie en dat zag je terug op het veld. We versloegen Newcastle United in de Cup Winners Cup. Daarna moesten we meteen tegen Lazio Roma. Weet je nog hoe sterk Lazio toen was? Ze hadden Nedved, Mihajlovic, Vieri, Mancini en Stankovic…

Zij wonnen die beker uiteindelijk dat seizoen.
Het was een engmakend sterk team. Toch speelden we uit in Rome 0-0. Ik raakte de paal en we hadden een paar goede kansen. Thuis kwamen we op 1-0, maar ze kwamen terug en uiteindelijk gaf hun ervaring de doorslag. Het werd 2-3. We begonnen ook goed in de competitie dat seizoen, maar dat was niet makkelijk voor mij, omdat ik bijna niet speelde. Nenad Bjekovic Jr. en Goran Obradovic waren de basisspitsen. Ik kreeg mijn kans toen Bjekovic geblesseerd raakte. Ik mocht uit tegen Radnicki in de basis beginnen en scoorde meteen twee keer. De wedstrijd daarna was de derby tegen Rode Ster.

Je bent de aartsvijand geworden van supporters van Rode Ster.
Haha, ja, vijf goals in vijf wedstrijden tegen Rode Ster. Niet verkeerd he? Het begon allemaal bij die eerste derby. Die wedstrijd heeft min of meer mijn carrière in de juiste richting geduwd. Maar dat had ik vooraf niet verwacht. Een paar uur voor de wedstrijd kreeg ik te horen dat ik op de bank zou beginnen. Dat voelde als een klap in mijn gezicht, omdat ik de wedstrijd daarvoor twee keer had gescoord. Ik had daar een lang, goed gesprek over met mijn vader.

Hij zei tegen me dat dit er allemaal bij hoorde als je prof werd, en dat ik mijn kans zou krijgen. Ik mocht invallen in de 75ste minuut en scoorde in de laatste minuut de winnende 2-1. Het was een schot met links, terwijl ik rechtsbenig ben. Maar ik vind het nog steeds een heel goed schot. Alles kwam samen. Je zou kunnen zeggen dat het Gods wil was. Daarna werd alles makkelijker.

Van Partizan ging je naar PSV, de club die spitsen als Ronaldo, Romario, Nilis en Van Nistelrooij had gehad. Jij moest in hun voetsporen treden. Hoe ervoer jij PSV nadat je er aankwam?
Ik was als de dood. Ik bedoel, ik had letterlijk geen idee wat ik moest verwachten. We leefden in die tijd in Servië onder economische sancties. Hoe zou leven in het westen van Europa eruit zien? Mijn eerste indruk was dit: iedereen had het over hoe groot mijn prijskaartje was. Nederlandse mensen houden niet van geld uitgeven, dus ook niet in het voetbal. En ze kijken iets anders naar voetbal dat Engelsen en Spanjaarden. Weet je, in Nederland ben je niet zo’n superster als voetballer. Maar goed, ze vonden het eerst maar vreemd om zoveel geld neer te leggen voor een kind uit Servië. PSV betaalde iets van vijftien miljoen euro voor me, dus dat was de eerste indruk die ik had.

Je kon toen nog niet zonder visum van en naar Servië reizen, dus bijna niemand kon me bezoeken. Mijn vader kreeg nauwelijks zijn visum om langs te komen. Mijn vriendin kon niet komen, mijn broer ook niet. Ik was helemaal alleen, man, dat was zwaar. Ik kon voelen dat mijn teamgenoten slecht over me praatten achter mijn rug om. Het ging allemaal om het geld, geld en geld. ‘Hij kostte zoveel geld, geld geld’.

Ik herinner me nog een moment, toen ik er pas net was. Ik liep de kleedkamer in en zag dat de veters uit mijn schoenen waren gehaald. Ik keek rond en iedereen was aan het lachen of keek naar beneden. Ik werd getest. Dus ik pakte die schoenen, gooide ze naar de materiaalman en schreeuwde naar hem: “Je hebt zestig seconden om dit op te lossen, of ik kom niet trainen.” Op dat moment verdiende ik hun respect, ze zagen dat ik ballen had, dat ik een eigen karakter had. Je moet daar voor jezelf opkomen, anders eten ze je levend op. Ze schopten me ook overal in die eerste trainingen. Maar ik begon al snel te scoren, dus toen deelde ik de lakens uit.

Die goal tegen Manchester United was vooral belangrijk.
Die goal was, samen met die ene goal tegen Rode Ster, de belangrijkste in mijn carrière. Die eerste zorgde voor mijn doorbraak in Servië, die tweede voor mijn doorbraak in de wereld. Ik herinner me nog goed hoe het ging. Ik was net kort geblesseerd geweest en had een paar wedstrijden gemist, dus er werd meteen weer een hoop over dat prijskaartje gepraat. Maar toen kwam die wedstrijd tegen Manchester United.

Ik scoorde, gaf een assist, en nog een doelpunt dat onterecht werd afgekeurd vanwege buitenspel. Na die wedstrijd werd iedereen ineens heel positief over me. Dat veranderde alles. Wat kan ik er uiteindelijk ook van zeggen? 105 goals in 122 wedstrijden, drie keer topscorer van de Eredivisie, een van de beste aangekochte spitsen aller tijden… Nederland voelt nu als mijn tweede thuis. Ik heb daar nog steeds veel vrienden.

Er zaten toen aardig wat goede clubs achter je aan. Koos je door Arjen Robben voor Chelsea?
Nee hoor, het hele project vond ik interessant. Ik werd gebeld door Roman Abramovich en José Mourinho, kort daarna schoof ik aan voor een meeting met ze, waarin ze alles vertelden over hun plannen met de club… Dan kan je geen ‘nee’ zeggen. Dat was moeilijk te weigeren.

Achteraf gezien zou je kunnen zeggen dat het een verkeerde keuze was. Ik had nog een jaar bij PSV kunnen blijven, waar mijn contract nog een jaar doorliep. Guus Hiddink had daar een geweldig team samengesteld, dat bijna de finale van de Champions League haalde. Ik had na vijf jaar ook een Nederlands paspoort kunnen krijgen, wat nog meer deuren voor me had kunnen openen. Maar als je een vijfjarig contract krijgt aangeboden met een onwerkelijk salaris, dan wordt het moeilijk. Het was niet realistisch om dat te weigeren.

Maar ja, er gebeurde kort daarna ook wat belangrijks. Vlak voor het einde van de transferperiode lukte het Chelsea om Didier Drogba binnen te halen. Het zat eerst niet in de planning dat hij zou komen, maar het lukte ze toch hem te verleiden en hij tekende. Drogba is wereldklasse. Ik had gewoon geen kans tegenover hem. Toen Mourinho ook nog zei dat hij met maar een spits zou gaan spelen, wist ik dat mijn kansen verkeken waren. Dat was een hard, moeilijk jaar voor me, met veel ups en downs.

Je scoorde wel in de finale van de League Cup.
Ja, oké, dat zal misschien in sommige boeken terechtkomen. Ik scoorde ook twee keer tegen Norwich en speelde echt een goede wedstrijd tegen Barcelona in de Champions League. Al met al heb ik wel een paar goaltjes gescoord hier en daar, maar het had meer kunnen zijn.

Uiteindelijk ging je snel weg uit Londen.
Kijk, misschien was dat ook wel een fout. Mourinho deed zijn best om me over te halen om te blijven. Hij zei me dat ik al met al een goed jaar had gehad, dat ik me aan had gepast aan het Engelse voetbal en het volgende seizoen beter zou zijn. Hij vertelde me hoe erg hij hield van mijn agressieve manier van spelen en trainersarbeid. Hij wou me echt niet verkopen.

Maar ik was koppig en wilde weg. Ik heb Londen nooit een fijne stad gevonden. Te grijs, te veel regen. Toen Atlético belde, was mijn keuze snel gemaakt. Madrid is een mooie stad, het team was goed, de club had een mooie visie, het contract was lekker, dus ja, het was waarschijnlijk toch niet zo’n slechte keuze om naar Spanje te vertrekken.

Maar dat seizoen werd ook hard, heel hard. We kregen een nieuwe hoofdtrainer – Carlos Bianchi, een Argentijn die een legende is bij Boca Juniors en Velex – maar dit was zijn eerste Europese baan. Hij had het zwaar in de aanpassing naar het Spaanse voetbal. Hij nam na vier maanden ontslag, toen we vijf plekken boven de hekkensluiter stonden. Toen kwam José Murcia. Die deed het goed en we eindigden in de subtop. Ik speelde voorin samen met Fernando Torres en scoorde een stuk of tien goals, leverde wat assists. Ik was best gelukkig. En had ik al gezegd dat ik van Madrid hield?

Waarom ging je ook daar dan al na één seizoen weg?
Hm, dat is weer een ander verhaal. Kijk, onze volgende trainer werd de Mexicaan Javier Aguirre, hij kwam over van Osasuna en was toen dé toptrainer in Spanje. Hij nam een paar spelers mee, waaronder een jonge Kun Aguero, maar had wel een grote rol voor mij voor ogen. Hij wilde Torres en mij laten staan in de spits en Aguero dan langzaam brengen. Dat was ook wel logisch, hij was toen pas achttien.

We begonnen aan de seizoensvoorbereiding en het ging lekker. Ik scoorde veel en het team liep soepel. Maar toen, letterlijk een week voordat het seizoen begon, werd alles overhoop gehaald. De directeur van de club vroeg me langs te komen in zijn kantoor. Daar vertelde hij dat er een delegatie van Fenerbahçe op bezoek was. Ze drongen aan op een gesprek met mij. Ik zei dat ik helemaal niet weg wilde uit Madrid en al helemaal niet naar Turkije. “Ik wil hier blijven, het gaat prima hier, dankjewel,” zei ik.

Hoe kwam die transfer toch nog tot stand?
Atlético Madrid bleek het geld nodig te hebben. Ze wilden spelers verkopen en smeekten me om met de Turken in gesprek te gaan. Mijn zaakwaarnemer zei tegen me: “Doe het maar man, al zijn het maar vijf minuutjes.” Maar ik wilde niet, het maakte me niet uit. Ik had die dag een stuk of 300 gemiste oproepen van de directie. De druk was immens.

Ik ging dus niet in gesprek, maar de volgende dag begon het allemaal weer opnieuw. Ze kwamen zelfs naar het trainingscomplex, de situatie werd intens. De grote baas Miguel Angel Gil kwam persoonlijk naar me toe en zei: “Gozer, we hebben zoveel voor je betaald en kunnen nu zelfs een beetje winst maken. Dit is de situatie.” Ik luisterde naar hem en zei hem dat ik er geen zin in had. “Nee, nee, ik wil echt niet gaan,” zei ik. Ik had net Spaans geleerd, mijn kinderen gingen in Madrid naar school en ik had er een huis gekocht. Gil begon letterlijk te smeken of ik met Fenerbahçe wilde praten. “Oké, ik zal voor jou met ze praten, maar ik ga er niet tekenen,” zei ik.

Dus die avond ging ik uit eten met de gasten van Fener. Ik vertelde ze dat ik niet weg wilde uit Madrid. Dat als ik zou gaan, dat alleen voor het geld zou zijn. Ik gooide een belachelijk salaris op, dus dat vonden ze teveel. We schudden handen en dat was dat. De volgende dag kwamen de Turken terug. Ze hadden er over nagedacht en kwamen al in de buurt van mijn belachelijke eisen. We onderhandelden nog wat en om 4 uur ‘s nachts tekende ik het voorcontract. De volgende ochtend stuurden ze een privéjet om me op te halen. We maakten een korte tussenstop in Belgrado om mijn vader en vrouw op te halen en landden ‘s middags voor 50.000 gillende fans op het vliegveld. Het was een gekkenhuis. Dus ja, het gebeurde allemaal heel snel.

Hoe had je het bij Fenerbahçe?
Weet je, ik had vooraf een hoop vooroordelen over Turkije. Sommige hadden te maken met het geloof, sommige met het voetbal daar. Maar als ik er nu op terugkijk, waren het twee goede jaren voor me. Ik heb daar veel liefde gekregen van de supporters, misschien wel meer dan ik ooit had ervaren daarvoor. Turkse supporters zijn gestoord, ik kan er niks anders over zeggen. In Turkije staat voetbal op de eerste plek, daarna heb je een tijdje niks, dan misschien politiek of zo. Niemand geeft een fuck om andere sporten. Het gaat alleen maar om voetbal.

Ze hebben iets van twaalf dagelijkse voetbalkranten. Je wordt 24 uur per dag op de voet gevolgd en voelt je net een Hollywood-superster. Je moet auto’s wisselen, achteringangen gebruiken – allemaal zodat mensen je niet kunnen zien. Als je een supermarkt binnenloopt, staan er binnen tien minuten driehonderd mensen om je heen. Als ze je herkennen in de auto, staat er opeens een file om je heen. Iedereen stapt de auto uit, maakt foto’s, echt waanzinnig. Godzijdank hadden we twee goede jaren, waardoor ik alleen de positieve vibes voelde. Ik weet zeker dat het andersom was geweest als het niet zo goed was gegaan.

Hoe zagen jouw seizoenen er binnen de club uit?
We hadden die jaren een goede hoofdtrainer, de Braziliaan Zico. Hij was als een vader voor mij. Ik heb heel veel respect voor hem. We praten nog steeds weleens met elkaar. Hij was niet de grootste tacticus ter wereld, maar ging heel goed met zijn spelers om. Hij haalde ook veel goede Brazilianen binnen, zoals Alex, Mehmet Aurélio en Roberto Carlos…

Ik herinner me nog dat we Inter sloopten toen ze op bezoek kwamen. In de rust kwam Dejan Stankovic naar me toe en zei: “Fucking hell, ik wist niet dat Turken zo konden voetballen. Jullie houden balbezit alsof jullie Barcelona zijn.” Waarop ik zei: “Vriend, hoe bedoel je ‘Turken’? Dit elftal bestaat uit bijna alleen maar Brazilianen, mij en twee Turken.” We hadden een prima run in de Champions League, het jaar daarvoor ook in de Europa League, pakten een landstitel, de beker en supercup… Het was al met al een mooie ervaring. Ik vind het nog steeds mooi om Istanboel te bezoeken.

Je ging daarna naar Paris Saint-Germain, maar dat werd geen succes.
Parijs heeft letterlijk mijn carrière vermoord. Claude Makelele belde me op en zei: “Hey, we zijn hier met iets speciaals bezig. We hebben Giuly en Luyindula en zouden jou er graag bij hebben.” Ik herinnerde me PSG nog van alle mooie verhalen die ik Marko Pantelic had horen vertellen. Spelers als Rai en Ronaldinho hadden er ook gespeeld, dus ik stemde in en ging erheen.

Dat zorgde natuurlijk voor een hoop gedoe bij Fener. Ik had nog twee jaar over op mijn contract en ze wilden me niet verkopen. Ik had ook al wat geld vooruit gekregen, dus de voorzitter van Fener zei: “Betaal dat eerst terug. Daarna kunnen we praten. Anders zit je hier de komende twee jaar.” Hij begreep niet waarom ik Fener wilde verlaten. Voor hem was Fener de grootste club ter wereld.

Dus ik streed een volle maand met hem over dat geld en betaalde uiteindelijk een deel van de transfersom uit eigen zak. Het leverde allemaal een hoop stress op. Vervolgens kwam ik aan in Parijs en werd ik voorgesteld aan de trainer, Paul Le Guen. Hij schudde mijn hand, maar keek me niet eens in mijn ogen. Hij staarde gewoon de andere kant op.

Ik voelde dat er iets niet klopte. Ik kwam er al snel achter dat hij een andere spits had gewild. De voorzitter en Makelele wilden mij. Er bleek achter de schermen een enorme machtsstrijd gaande te zijn tussen hen. En ik zat er middenin. Le Guen en ik konden niet goed met elkaar overweg. Hij zette me op de bank, liet me dan opeens weer spelen, dan scoorde ik en zette hij me weer op de bank. Ik streed tegen hem met alles wat ik had en vertrok op huurbasis naar Zenit. Ik wilde echt dat het zou werken, maar hij kostte me jaren van mijn carrière. Toen hij uiteindelijk werd ontslagen, was ik al kapot. Ik had geen ritme meer, niks.

Je gooide ook een keer je shirt op de grond toen je gewisseld werd. De supporters waren woedend. Hoe kijk je daar op terug?
Dat gebeurde in een bekerwedstrijd tegen Bordeaux. We verloren thuis met 3-0 en ik werd na een uur gewisseld, terwijl ik goed speelde. Ik was zo boos… Ik koos de verkeerde manier om mijn frustratie te uiten. Ik spuugde bij wijze van spreken op de club en fans. Dat was niet zo best van mij, helemaal niet zelfs.

Mensen adviseerden me om tijdelijk weg te gaan uit Parijs en me gedeisd te houden, omdat de supporters daar vrij extreem kunnen zijn. Ik zou gevaar kunnen lopen, dus ik bleef een maand in Servië, keerde terug en begon opnieuw. Ik gaf een heel emotioneel interview toen ik terugkwam – ik was bijna aan het huilen – en ik denk dat mensen daardoor wel beseften hoeveel spijt ik had. Ik herinner me dat ik in die tijd zelfs een dagboekje heb bijgehouden. Ik probeerde zo wat rust te vinden. Dat was echt een zware tijd.

Ik maakte mijn eerste minuten daarna in de derby tegen Marseille. Ze speelden ons zoek. We stonden 3-0 achter en de supporters joelden de spelers uit. Ik kwam er in de tachtigste minuut in en besefte dat dit mijn kans was om wat vertrouwen terug te winnen. Dus ik ging er vanaf de eerste minuut hard in. Ik maakte slidings, ging duels aan, schopte spelers van Marseille, ging helemaal door het lint. Na vijf minuten stopten ze met uitfluiten en juichten ze me toe. Ik maakte zelfs een buiging, haha. Ik maakte het een beetje Hollywood, maar ja, ik kreeg weer wat respect en ben uiteindelijk toch nog met een paar mooie herinneringen weggegaan uit Parijs.

In de laatste fase van de je carrière heb je voor Bate Borisov in Wit-Rusland en South China in Hongkong gespeeld. Hoe was dat?
Ik had geen idee waar ik heen moest na Parijs. Ik was 32, uit vorm en het was zo goed als onmogelijk om terug naar de Europese top te gaan. Ik kreeg wat aanbiedingen uit Frankrijk en Spanje, maar toen kreeg ik uit het niets die aanbieding uit Hongkong. Daar ging ik op in, omdat het geld gewoon heel goed was en ik wel van een avontuurtje hou.

Het voetbal in Hongkong stelt niet zoveel voor. Het is eigenlijk niet eens de moeite waard om erover te praten. Je speelt praktisch amateurvoetbal op schoolvelden. Maar ik heb er een paar goede vrienden gemaakt, bijvoorbeeld Nicky Butt, die op dezelfde dag tekende als ik. We hebben nog steeds contact. Hongkong is trouwens ook een mooie plek om te leven. Ik zou het zeker aanraden om daar eens een kijkje te gaan nemen.

En Wit-Rusland? Dat land is volgens mij best mysterieus.
Het voelde daar alsof ik terug was in de tijd dat Milošević het voor het zeggen had in Servië. Het verkeer loopt ‘s ochtends bijvoorbeeld om 08:30u vast als Lukashenko naar zijn werk gaat. Dat gebeurt elke middag dan weer om een uur of vijf. Mensen zijn er bang. Als je ze ergens naar vraagt, zeggen ze altijd dat ze het weten, uit angst om in de problemen te raken. In de supermarkten verkopen ze melk in plastic zakjes. Ja, het voelde echt als Servië in de jaren negentig.

Maar BATE wordt piekfijn gerund. De voorzitter is een goede zakenman, die netjes past op elke euro die hij verdient, en ook goed is in PR. Hij behandelt zijn spelers als familie en neemt ze vaak mee uit eten. Het is er allemaal heel hecht. Zijn aanpak werkt, BATE doet nu regelmatig mee in de groepsfase van de Europese clubcompetities. Ze hebben zelfs een paar keer de knock-outfase gehaald, terwijl ze maar een budget van vier miljoen euro hebben. Niet slecht.

Ik was van plan te stoppen met voetballen toen BATE me belde. Hun spits raakte twee weken voor het begin van de Champions League geblesseerd. Via via kwamen ze bij mij uit. Ze zaten in de groep met Barcelona en AC Milan. Ik zei tegen mezelf: “Als je er toch een eind aan maakt, kan je dat maar beter in stijl doen, in San Siro en Camp Nou.” Ik speelde uiteindelijk vooral in de Champions League en een paar potjes in de competitie. Dat was dat. Ik heb ook daar best wat goede vrienden gemaakt, dus dat was ook een mooie ervaring.

Waarom ben je nooit teruggegaan naar Partizan of PSV? Die hebben het vast nog eens geprobeerd?
Ik heb dat allebei nooit echt overwogen, omdat ik niet van comebacks hou. Ik kwam, won en ging weg, dus waarom zou ik er teruggaan en mijn eigen nalatenschap verpesten? Feyenoord was op een gegeven moment heel concreet, maar dat wees ik af, omdat ik dat respectloos vond naar PSV en de supporters daar. Ik ben niet het type dat zoiets flikt.

Dat geldt ook voor Partizan. Sasa Stanojevic was er hoofdtrainer en belde me op toen ik wegging uit Hongkong, maar kreeg hetzelfde antwoord. Waarom zou ik ja zeggen? Ze herinneren me daar als een legende. Ze zingen mijn naam nog steeds. Waarom zou ik er dan teruggaan, om uitgescholden te worden om niks? Ik was toen ook helemaal niet zo’n goede speler meer. Ik was niet meer zo snel en vaardig als in 1998.

Nu ben je zaakwaarnemer, net als de andere grote Servische spitsen van jouw generatie, Nenad Jestrovic en Marko Pantelic.
Ja man, maar ik ben in eerste instantie bevriend met die gasten en hun families. Ik had de mazzel dat mijn vader meestal mijn zaken deed en de voetbalwereld kende. Ik weet hoe belangrijk het is dat iemand niet alleen om geld geeft, maar echt goed voor je zorgt in je carrière. Ik doe mijn best om echt iemand te zijn voor de talenten waarmee ik werk. Ik werk onder meer met Sergej Milinkovic-Savic en Adam Marusic van Lazio Roma. We hebben ook wat spelers in de Benelux, maar we proberen onze groep klein te houden.

Wat doe je nog meer buiten voetbal? Volgens mij ben je ook een fanatiek kitesurfer en snowboarder.
Toen ik stopte met voetballen ben ik meteen dingen gaan doen die ik als voetballer moest laten. Dus ik ben gaan kitesurfen, skiën en snowboarden. Ik hou van de natuur, dus ik reis de wereld veel over naar plekken met goede sneeuw of wind.

Je bent een soort Patrick Swayze in Point Break geworden.
Haha ja! Precies dat. Ik probeer dat leven te leven voor zover ik kan. Ik heb een vaste plek om te kitesurfen in Montenegro, maar ben de hele wereld over geweest. Van Vietnam en Thailand tot Zanzibar. Kitesurfen is zo tof, de adrenaline stroomt door je lijf. Die adrenaline mis ik een beetje sinds ik gestopt ben met voetballen. Daar wacht adrenaline om elke hoek.

Logo