×
footer logo
© 2017 VICE Media LLC
×
 

Ik ben Mohammed “The Destroyer” Jaraya

SR
Sam van Raalte, Foto's door: David Meulenbeld

July 4, 2018, 13:45

“Ik doe het allemaal voor mijn moeder. Ik heb haar te veel hoofdpijn bezorgd als puber.”

In deze serie laat VICE Sports jonge vechtsporters aan het woord. Dit keer is het woord aan Mohammed Jaraya, de 22-jarige kickbokser uit Den Bosch. Hij maakte naam bij Enfusion en komt nu als weltergewicht uit bij Glory. We zochten hem op in Colosseum Gym in Utrecht.

Dit is zijn verhaal.


“Mijn eerste kickbokspartij zal ik nooit meer vergeten. Het gevecht was in Wijchen tegen Raoul Postma. Ik was dertien jaar en helemaal ingepakt met een hoofdkap en kniebeschermers. Ik was vooraf echt zenuwachtig. Ik wist gewoon niet wat me te wachten stond. In de kleedkamer naast ons hoorde ik hele harde knallen op de pads. “Hoor je die knallen?”, zei mijn trainer Hicham El Gaoui. “Dat is jouw tegenstander.” Hij zat me gewoon te fucken, maar ik streste keihard.

Als ik heel zenuwachtig ben, ben ik heel stil. Héél stil. Dan weet je: Mootje zit te stressen. Van buiten zie je niks, maar binnen in mijn hoofd heerst paniek. Ik loop dan alle scenario’s voor het gevecht door in mijn hoofd. Wat nou als mijn tegenstander dit doet? En als ik dat doe? Hoe gaat hij daarop reageren? Pas als ik in de ring sta en die bel gaat, gaat de knop om. Dan is het overleven. Jij of ik. Bij de eerste stoot kom ik gelijk in mijn element te zitten. Dan gaan de zenuwen in een keer weg.

Die eerste wedstrijd in Wijchen is kapot lachen om terug te zien. Ik heb die wedstrijd een stuk of driehonderdmiljoen knieën gegeven. Het hele gevecht staat nog ergens op Youtube. Soms kijk ik het terug met vrienden, dan lachen we ons stuk. Maar het ging prima, ik kwam er heel goed vanaf voor een eerste partij. Ik deelde mijn tegenstander twee keer acht tellen uit en won. Ik kan niet omschrijven hoe goed het voelde toen de scheidsrechter mijn hand in de lucht hield. Ik was meteen verslaafd.

Op school kreeg ik al snel een topsportcontract. Dat betekende dat ik elke ochtend kon trainen. Om half twee moest ik naar school. Maar omdat ik altijd vol gas gaf op de training, was ik veel te moe als ik daarna naar school moest. Vaak ging ik niet eens. Ik wilde sowieso van kleins af aan niet naar school. Vraag me niet waarom. Ik had er helemaal niks mee. Mijn ouders kregen altijd van leraren te horen dat ik het wel kon, maar niet wilde. Ze hebben veel geduld met me moeten hebben.

Ik kwam veel te weinig opdagen en werd keer op keer van school getrapt. In het opkomstnummer dat Lijpe voor me heeft gemaakt, rapt hij: “Ik doe het voor mama en de hele zaal”. Ik heb hem gevraagd dat te rappen in het nummer, omdat ik alles in mijn kickbokscarrière uiteindelijk doe om mijn moeder trots te maken. Zij is een topvrouw en ik heb echt alles aan haar te danken, maar ik heb haar heel veel hoofdpijn bezorgd vroeger. Ik was echt een lastkind als puber.

Ik was thuis het zwarte schaap, want iedereen bij ons heeft heel goed gestudeerd. Mijn zusjes en broer hebben het allemaal goed gedaan op school. Ik niet. Op mijn vijftiende had ik er genoeg van en besloot ik helemaal van school te gaan. Omdat je in Nederland verplicht bent tot je achttiende naar school te gaan, kreeg ik een boete van 3.500 euro van de overheid. Dat geld heb ik van alle kanten bij elkaar verzameld. Toen dat lukte, was ik vrij om me alleen maar op kickboksen te focussen.

Ik was net zestien en al gecontracteerd door Enfusion, toen ik mijn eerste partij als prof vocht. In Alkmaar moest ik het opnemen tegen een enorme Franse politieagent. Ik weet zijn naam niet meer, maar hij was een beer. Ik denk dat hij wel zes keer zo groot was als ik. Ik stapte toch maar de ring in en gaf hem in de eerste ronde een achterwaartse trap. Hij kromp in elkaar van de pijn en spuugde zijn bitje uit. Dat was het. Binnen een minuutje was het afgelopen op knock-out. Ik dacht: is dit het nou? Is iedereen hier nou zo bang voor?

Pas toen ik prof werd, was ik niet meer het zwarte schaap van het gezin. Mijn ouders zagen dat ik er wel wat van kon en er geld mee kon verdienen. Hun respect is met de jaren alleen maar gegroeid. Als ik nu ergens kom met mijn ouders, willen fans weleens met me op de foto. Dan kijk ik altijd even opzij naar mijn ouders, om die trotse glimlach van ze te zien. Ik geef ze geen koppijn meer. Gelukkig heb ik een switch gemaakt. De vruchten van mijn keuzes als puber werpen zich nu af.

De spanning voor een gevecht is met de jaren iets minder geworden. Je leert dat een knock-out het ergste is wat je kan gebeuren. Ik ben nog nooit knock-out gegaan. Ik heb wel twee keer acht tellen gekregen tegen Nordin Ben Moh bij Enfusion. De eerste was een flits na een knie, de tweede was wat zwaarder. Ik sloeg Ben Moh daarna wel knock-out. Ik weet zelf dus niet hoe het voelt om KO te gaan, omdat het nooit iemand is gelukt. Dat gaat ook niet gebeuren, daar durf ik mijn handen voor in het vuur te steken. Als het iemand lukt in de ring, krijgt diegene duizend euro van mij.

Ik ben vorig jaar helaas niet lekker weggegaan bij Enfusion. Het gerucht ging al een tijdje dat ik daar weg zou gaan en ik denk dat dat een rol heeft gespeeld bij de jurybeslissing in mijn laatste Enfusion-gevecht tegen Redouan Laarkoubi. Het kwam aan op de jury en die wees Laarkoubi aan als winnaar. Niemand in de zaal was het ermee eens, ik ook niet. Het werd zwart voor mijn ogen en in die woede heb ik een jurylid een tik gegeven. Dat was een grote fout. Het had niet mogen gebeuren. Ik ben er terecht voor gestraft en heb mijn excuses later ook gemaakt bij de jury.

Redouan Laarkoubi zou ik nooit meer in zijn ogen aan kunnen kijken. Na die partij had hij het nergens anders over op zijn social media. Hij deed alsof hij een geweldige overwinning had behaald en plaatste meer foto’s van mij dan van zichzelf op zijn Instagram. Als je op zo’n manier de overwinning toebedeeld krijgt, en dan zo stoer gaat doen op social media, dan ben je voor mij echt een stuk stront. Als hij eerlijk van mij had gewonnen, had ik er respect voor, maar niet op deze manier.

Ik werd helemaal depressief na die partij. Als het op die manier moest, hoefde het van mij niet meer. Ik had een nieuwe start nodig. Ik stapte daarom over naar Colosseum Gym in Utrecht en dankzij Remon Daalder kon ik bij Glory tekenen. Zo had ik in een keer een nieuwe sportschool, nieuwe bond en nieuwe plekken om te vechten. Met alle respect voor Enfusion, maar met hen kom je steeds in Groningen, Antwerpen, Den Haag en Eindhoven. Je blijft in die vierhoek. Daar word je kotsmisselijk van. Glory is duizend keer groter.

Badr Hari stuurde me voor mijn eerste partij bij Glory een berichtje op Instagram. Ik kijk al mijn hele leven op naar hem. Alles aan hem fascineert me. Hoe hij praat, hoe hij doet, hoe hij zijn beloftes nakomt en tegenstanders knock-out slaat. Alles. Ik heb me van kleins af aan geprobeerd te richten op zijn stijl en wat hij doet. En nu stuurde hij me opeens een berichtje waarin hij me succes wenste. Na de partij stuurde hij er weer een. “Hoe vond je het om voor zoveel mensen te vechten?”, vroeg hij.

Ik kreeg voor die partij geen hap door mijn keel, dus ik vertelde Badr dat ik kapot zenuwachtig was. Badr zei dat je die zenuwen altijd wel zult blijven hebben voor de grote podiums. Het is wel raar dat ik nu een punt heb bereikt waarop mijn grote voorbeeld tegen me praat, en zelfs advies en tips geeft. Wie had gedacht, toen ik dertien was en begon met kickboksen? Ik had zelf niet eens kunnen bedenken dat ik dit zou bereiken, met Badr zou praten en met hem op dezelfde kaart zou staan.

Bij Glory ben ik een gewichtsklasse omhoog gegaan. Mensen hebben makkelijke praatjes over een gewichtsklasse omhoog gaan, maar als je vijf jaar op 72 kilo hebt gevochten, is het echt zwaar om van de ene op de andere dag op 77 kilo te vechten. Ik merkte dat in mijn eerste partij voor Glory tegen Miles Simson. Toen ik hem van me af probeerde te duwen, voelde ik dat het anders was. Op 72 kilo duwde ik mijn tegenstanders makkelijk bijna de ring uit, maar op 77 kilo staan ze veel steviger.

Het hielp ook niet dat mijn hand kapot was. Ik heb een tijdje heel erg last gehad van een beschadigde zenuw in mijn rechterhand. Maar je debuut bij Glory zeg je niet af, al moet je met één hand en één been vechten. Ik heb het gewoon stil gehouden en die wedstrijd op punten gewonnen. Doktoren en fysio’s raadden me daarna sterk af dat nog een keer te doen, anders was de kans heel groot dat ik er voor hele lange tijd uit zou liggen. Daarom heb ik mijn tweede partij helaas af moeten zeggen.

Nu ben ik gelukkig hersteld. Ik heb het gevoel dat alles nu pas echt voor me gaat beginnen. Ik wil zo snel mogelijk die Glory-belt op 77 kilo hebben. Op 29 september vecht ik in de Johan Cruijff Arena. Als ik die partij win, kan het heel snel gaan. Dan mag ik misschien wel voor de titel. Ik weet al tegen wie ik ga vechten in september. Ik heb het nog tegen niemand gezegd, behalve mijn ouders. Het is aan Glory om het bekend te maken. Ik kan je een ding beloven: heel veel mensen gaan voor die partij komen.

Toen ik zestien was, was ik op bezoek in de gym van deze man. Ik ging mee sparren en kwam tegenover hem te staan. We kwamen in een clinch. Ik liet los en draaide me om. Hij haalde van achteren nog vol uit op mijn hoofd. Dat is me altijd bijgebleven. Ik heb dus nog wat recht te zetten tegen deze jongen. Hij heeft ook nogal een grote mond en gaat vast stoer praten. Ik ga mijn vuisten laten spreken.”

Logo